Het was 1885: Daimler vond een ontbrandingsmotor uit, Benz maakte een ‘koetswerk’. De eerste auto was een feit. Velen verfoeiden het lawaaierige ding dat geen enkel nut had, allicht kon niemand toen ooit vermoeden dat zowat de hele wereld een kleine 70 jaar later nooit meer zonder zou kunnen.
De auto werd ‘geboren’ in 1885, maar na dat geboortejaar duurde het nog eens 25 jaar vooraleer de automobiel gemeengoed was geworden. Tot ongeveer 1910 reed men immers liever met paard en kar. Mensen die zich bezighielden met het bouwen van auto’s werden uitgelachen. Hadden die dan niks beters te doen? De auto was een nutteloze uitvinding, een ‘vreselijk monster’ dat lawaai maakte, stonk en de paarden liet schrikken. Beetje bij beetje werden toch meer mensen, vooral zij die in de steden woonden en geld hadden, nieuwsgierig en schaften zich vooral voor de status een auto aan. Toen kwam plots een ontwikkeling op gang die niet meer te stoppen was.
De auto werd in Duitsland ‘uitgevonden’ door Carl Benz en Gottlieb Daimler. De verdere ontwikkeling ging echter in Frankrijk door. Enkele namen die hiertoe bijdroegen zijn Panhard, Levassor, De Dion en Darracq. Zij bouwden motorvoertuigen met componenten die zelfs nu nog in de autobouw worden toegepast.
Toen begon men ook in Amerika met het bouwen van auto’s en dat meteen met aantallen waarvan men in Europa enkel kon dromen. Net voor het begin van de Eerste Wereldoorlog waren in de Verenigde Staten al 1,27 miljoen automobielen geregistreerd. Ter vergelijking: in het Verenigd Koninkrijk op datzelfde moment ongeveer 187.000, in Frankrijk 100.000 en in Duitsland 64.000 exemplaren.
Na de oorlog echter, kwam de Europese automobielindustrie pas echt op gang. Ook dat begon in Frankrijk, waar André Citroën het ‘lopende-bandsysteem’, zoals hij had afgekeken bij Ford, overnam. Zo maakte hij in 1930 ongeveer 30 auto’s per dag, een aantal dat in die tijden best opzienbarend was. Niet veel later volgde men in Italië en meer bepaald bij Fiat dat voorbeeld.
De Tweede Wereldoorlog betekende opnieuw een breuk in de verdere ontwikkeling van de auto. Maar na 1945 werd het transportmiddel iets wat het leven van de bevolking meer en meer ging bepalen. Tegenwoordig is de automobielindustrie in vele geïndustrialiseerde landen één van de meest belangrijke economische bedrijvigheden.
Deze dagen zijn de veiligheid, benzineprijzen en de bekommernissen om het milieu zaken waar in de ontwikkeling van nieuwe auto’s rekening worden gehouden. Auto’s worden almaar zuiniger en veiliger. Er wordt hard gewerkt aan de ontwikkeling van nieuwe materialen, zuinigere motoren en alternatieve brandstoffen. Eén zaak kunnen we zeker van zijn: de auto zal in de toekomst nog zuiniger en nog veiliger worden, maar hij zal nooit ofte nimmer nog uit de samenleving verdwijnen.
In deze reeks brengen we, in zestig delen, de geschiedenis van de auto in kaart. Dat iedere weekdag, twaalf weken lang.
Overzicht
Renault 1898
De Dion-Bouton (1907)
Ford T (1908)
Opel 'Doktorwagen' (1909)
Rolls-Royce Silver Ghost (1910)
Hispano-Suiza Alfonso (1912)
Fiat 501 (1919)
Austin Seven (1922)
Citroën 5CV 'Trèfle' (1922)
Hanomag 2/10 Kommisbrot (1924)
Bugatti type 43 Grand Sport, 1928
Chevrolet Universal (1928)
Duesenberg SJ (1932)
Wanderer Type W22 (1933)
Alfa Romeo 8C Monza (1933)
Gräf & Stift Type SP8 (1933)
Citroën Traction Avant (1933)
Peugeot 301 (1936)
Mercedes 260D (1936)
Mercedes 540K (1936)
Maybach SW42 (1937)
Ford Taunus (1939)
MG TC (1946)
Volkswagen Kever (1948)
Porsche 356 (1948)
Volvo PV444 (1948)
Chevrolet Corvette (1953)
Jaguar XK120 (1953)